Kwalijke rol voor Korpschef Janny Knol en Hoofdofficier van Justitie Oost-Nederland Marthyne Kunst in doofpotaffaire CBR!

Korpschef politie en hoofdofficier van Justitie werkten bewust aangiftes ambtsmisdrijven tegen en werkten mee aan lastercampagne tegen aangever!

Al jarenlang melden burgers en betrokkenen vermeende ambtsmisdrijven en andere ernstige misstanden binnen de directie van het CBR. Volgens betrokkenen worden deze aangiftes en meldingen door de politie Oost-Nederland en het Openbaar Ministerie Oost-Nederland structureel genegeerd, niet inhoudelijk onderzocht of zelfs tegengewerkt. Tegelijkertijd zou de politie in zaken die voortkomen uit meldingen van het CBR wƩl bijna honderd keer in actie zijn gekomen.

Als dat beeld klopt, is sprake van een fundamenteel probleem voor de Nederlandse rechtsstaat.

Want een rechtsstaat wordt niet alleen beoordeeld op de manier waarop de overheid burgers onderzoekt en vervolgt. De ware test komt wanneer burgers juist de overheid zelf van strafbaar handelen beschuldigen. Dan moet de vraag niet zijn hoe lastig, invloedrijk of machtig de betrokken organisatie is. Dan moet de vraag zijn: wat is er gebeurd, en wordt het onafhankelijk onderzocht?

Bijna honderd keer optreden, maar geen onderzoek naar de bron?

De kern van de CBR-doofpot-affaire, zoals critici deze inmiddels omschrijven, is volgens betrokkenen even onthutsend als eenvoudig: meldingen afkomstig vanuit het CBR zouden jarenlang hebben geleid tot politieoptreden tegen individuele burgers en een voormalig rijschoolhouder.

Daartegenover staan aangiftes en meldingen waarin juist CBR-functionarissen en leden van de directie worden beschuldigd van onder meer het doen van valse meldingen en mogelijk ander onrechtmatig of strafbaar handelen.

De vraag die daaruit voortvloeit is onvermijdelijk: waarom werd er wel zo vaak opgetreden op basis van meldingen vanuit het CBR, terwijl volgens de betrokken burgers nooit serieus strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar de vraag of sommige van die meldingen zelf onwaar waren?

Juist die vraag raakt de kern van gelijkheid voor de wet.

Een burger die herhaaldelijk met politieoptreden wordt geconfronteerd, moet erop kunnen vertrouwen dat de overheid niet uitsluitend naar de beschuldigde kijkt, maar óók kritisch onderzoekt of de beschuldiging waarop het optreden is gebaseerd wel klopt.

Wanneer dat structureel niet gebeurt, ontstaat het gevaar van een systeem waarin de melder die over institutionele macht beschikt op voorhand geloofwaardiger wordt geacht dan de burger tegen wie de melding is gericht.

De rol van korpschef van politie Janny Knol

De huidige korpschef Janny Knol was vóór haar benoeming tot korpschef politiechef van de Eenheid Oost-Nederland. Zij bekleedde die functie vanaf 2022 tot haar vertrek naar de landelijke korpsleiding in 2024.

Juist daarom is haar naam volgens critici verbonden geraakt aan de vraag wat er binnen de politie Oost-Nederland is gebeurd met meldingen over de CBR-affaire.

De beschuldiging is niet dat een korpschef persoonlijk ieder dossier moet behandelen. Dat is onmogelijk. De principiƫle vraag is een andere: wat gebeurt er wanneer binnen een politie-eenheid gedurende jaren signalen binnenkomen over mogelijk onrechtmatig optreden door een machtige publieke organisatie en betrokken burgers stellen dat die signalen niet serieus worden onderzocht?

Een leidinggevende kan zich niet onbeperkt verschuilen achter procedures wanneer er sprake is van terugkerende, ernstige signalen over mogelijke structurele misstanden.

Knol heeft als korpschef zelf benadrukt dat vertrouwen in de politie noodzakelijk is en dat dit vertrouwen niet vanzelfsprekend is. Dat uitgangspunt maakt de kwestie des te urgenter.

Vertrouwen ontstaat immers niet doordat de politie zegt dat burgers vertrouwen moeten hebben. Vertrouwen ontstaat doordat burgers kunnen zien dat dezelfde normen gelden voor iedereen: voor de burger op straat, maar óók voor bestuurders, directeuren en publieke instellingen.

De rol van Marthyne Kunst: Hoofdofficier bij het Openbaar Ministerie Oost-Nederland

Ook het Openbaar Ministerie Oost-Nederland draagt in deze kwestie een zware verantwoordelijkheid.

Het OM bepaalt uiteindelijk of strafrechtelijke verdenkingen worden onderzocht en of tot vervolging wordt overgegaan. Capaciteitsproblemen en de noodzaak om prioriteiten te stellen worden door politie en OM openlijk genoemd als factoren die tot scherpe keuzes in de opsporing leiden. (Openbaar Ministerie)

Maar juist daar schuilt een gevaar.

Selectiviteit mag nooit veranderen in selectieve rechtsbescherming.

Wanneer een burger aangifte doet van een vermeend ambtsmisdrijf door een functionaris of bestuurder, mag de positie van de verdachte nooit een reden zijn om de zaak minder kritisch te behandelen. Integendeel: juist wanneer de beschuldigde over institutionele macht beschikt, is onafhankelijkheid van het onderzoek extra belangrijk.

De hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland draagt bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van het parket. De kritiek van betrokkenen is dat het OM in de CBR-affaire onvoldoende heeft gedaan om de ernstige beschuldigingen onafhankelijk en zichtbaar te laten toetsen.

Dat is een ernstige aantijging.

En juist daarom zou een onafhankelijk onderzoek nodig zijn. Niet om bij voorbaat vast te stellen dat politie of OM schuldig is aan een doofpot, maar om vast te stellen of meldingen daadwerkelijk zijn beoordeeld, welke beslissingen zijn genomen en waarom bepaalde aangiftes wel of niet tot strafrechtelijk onderzoek hebben geleid.

De ambtseed is geen ceremonieel moment

Politieambtenaren, officieren van justitie en andere publieke functionarissen dragen een bijzondere verantwoordelijkheid.

Van hen wordt niet slechts verwacht dat zij de wet kennen. Van hen wordt verwacht dat zij zich gedragen op een wijze die past bij de bijzondere macht die de samenleving hun heeft gegeven.

Een politieagent kan iemand zijn vrijheid ontnemen. Het OM kan een strafrechtelijk onderzoek leiden. Overheidsinstanties kunnen diep ingrijpen in het leven van burgers.

Daarom is integriteit geen vrijblijvende eigenschap.

Als burgers de indruk krijgen dat aangiftes tegen invloedrijke organisaties in een la verdwijnen, terwijl meldingen van diezelfde organisaties direct tot politieoptreden leiden, dan ontstaat iets wat voor een rechtsstaat buitengewoon gevaarlijk is: het vermoeden dat niet de wet, maar de positie van de betrokken partij bepaalt hoe serieus een zaak wordt genomen.

Dat vermoeden alleen al veroorzaakt schade.

De menselijke rekening

Achter dossiers, processen-verbaal en registratienummers zitten mensen.

Mensen die zeggen jarenlang te hebben geprobeerd gehoord te worden. Mensen die zich geconfronteerd zagen met politieoptreden, procedures, aanhoudingen en juridische kosten. Mensen die stellen dat zij door herhaalde meldingen vanuit het CBR in een positie zijn gebracht waarin zij zich voortdurend tegenover de overheid moesten verdedigen.

Wanneer achteraf zou blijken dat valse of ongefundeerde meldingen nooit serieus zijn onderzocht, dan is de schade niet alleen juridisch.

Dan is er ook sprake van schade aan reputaties, ondernemingen, relaties en mentale gezondheid.

De overheid mag niet vergeten dat een burger niet over dezelfde middelen beschikt als een grote publieke organisatie. Een onjuiste melding van een individuele burger kan grote gevolgen hebben. Maar een onjuiste melding vanuit een machtige organisatie kan nog veel grotere gevolgen hebben, juist omdat de overheid geneigd kan zijn aan zo’n organisatie institutioneel gezag toe te kennen.

Daarom moet de bron van een melding altijd kritisch worden onderzocht, ongeacht de status van degene die de melding doet.

Wie controleert de controleurs?

De CBR-affaire roept uiteindelijk een vraag op die groter is dan het CBR zelf.

Wie onderzoekt de politie wanneer de politie jarenlang weigert of nalaat om een bepaalde categorie ernstige meldingen te onderzoeken?

Wie controleert het Openbaar Ministerie wanneer slachtoffers en aangevers het gevoel hebben dat hun dossier nooit werkelijk inhoudelijk is beoordeeld?

En wie neemt verantwoordelijkheid wanneer burgers door tientallen interventies worden geraakt, terwijl de juistheid van de oorspronkelijke meldingen volgens hen nooit strafrechtelijk is onderzocht?

Een rechtsstaat kan niet functioneren op basis van institutioneel vertrouwen alleen.

Macht moet controleerbaar zijn.

Daarom is het onvoldoende wanneer politie en OM uitsluitend zelf verklaren dat procedures correct zijn gevolgd. Bij ernstige en langdurige beschuldigingen van institutioneel falen kan juist onafhankelijk onderzoek noodzakelijk zijn.

Bijvoorbeeld door een instantie die voldoende afstand heeft tot zowel de politie Oost-Nederland als het arrondissementsparket Oost-Nederland.

Geen doofpot, maar transparantie

De oplossing is uiteindelijk niet ingewikkeld.

Publiceer – voor zover de wet dat toestaat – welke aangiftes zijn gedaan. Maak duidelijk welke daarvan formeel zijn geregistreerd. Leg uit welke zaken zijn onderzocht en welke niet. Geef aan op grond van welke juridische argumenten besluiten zijn genomen.

En bovenal: laat onafhankelijk toetsen of meldingen van vermeende ambtsmisdrijven door CBR-functionarissen daadwerkelijk met dezelfde ernst zijn behandeld als meldingen die vanuit het CBR tegen burgers zijn gedaan.

Wanneer politie en OM ervan overtuigd zijn dat zij correct hebben gehandeld, dan zou transparantie hun positie juist moeten versterken.

Wanneer zij die transparantie niet bieden, blijft de twijfel bestaan.

De betrouwbaarheid van de rechtsstaat staat op het spel

De schade van deze affaire beperkt zich niet tot de mensen die direct bij het conflict met het CBR betrokken zijn.

Iedere burger heeft belang bij de beantwoording van deze vragen.

Want als een burger morgen aangifte doet tegen een directeur, bestuurder, politiefunctionaris of andere ambtenaar, moet die burger erop kunnen vertrouwen dat zijn aangifte niet minder waard is omdat de verdachte deel uitmaakt van een machtige organisatie.

Dat is geen gunst.

Dat is de essentie van de rechtsstaat.

De kwestie rond de politie Oost-Nederland, het OM Oost-Nederland en de meldingen over het CBR verdient daarom geen stilzwijgen, maar onafhankelijk onderzoek. De ernstige beschuldigingen moeten worden getoetst aan documenten, registraties, processen-verbaal en feiten.

Pas dan kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is geweest van structureel wegkijken, onvoldoende onderzoek of een institutionele doofpot.

Maar ƩƩn ding staat nu al vast: zolang burgers jarenlang blijven zeggen dat hun aangiftes tegen machtige overheidsfunctionarissen niet serieus worden onderzocht, terwijl zij zelf herhaaldelijk onderwerp zijn van politieoptreden, blijft er een vraag boven de rechtsstaat hangen die niet genegeerd mag worden: geldt de wet werkelijk voor iedereen?