opiniemaker
De veroordeling van de 29-jarige Mert P. tot acht jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging brengt de nabestaanden van de in Den Dolder doodgestoken 76-jarige vrouw geen echte rust. Haar 83-jarige weduwnaar heeft inmiddels aangifte gedaan tegen zorginstelling Fivoor wegens dood door schuld. Daarmee stelt hij een vraag die veel verder reikt dan deze ene tragische zaak: waar eindigt de verantwoordelijkheid van een psychiatrische patiënt en waar begint die van de instelling die toezicht op hem hield?
De strafrechter heeft geoordeeld dat de dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen. Maar dat oordeel sluit niet uit dat ook anderen tekortgeschoten kunnen zijn. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van een dader en mogelijke nalatigheid van een instelling kunnen naast elkaar bestaan.
Juist daarom verdient de aangifte van de weduwnaar serieuze aandacht. Niet uit wraak, maar vanuit een fundamenteel rechtsstatelijk beginsel: ook instellingen die belast zijn met de bescherming van de samenleving moeten rekenschap afleggen wanneer hun beslissingen mogelijk desastreuze gevolgen hebben.
De feiten roepen immers ongemakkelijke vragen op. De dader verbleef op een gesloten afdeling voor mensen met een licht verstandelijke beperking die een gevaar kunnen vormen voor zichzelf of anderen. Toch kreeg hij toestemming om zelfstandig naar buiten te gaan. Kort daarna werd een willekeurige voorbijganger op straat met zeventien messteken om het leven gebracht.
Dat betekent niet automatisch dat Fivoor juridisch schuldig is. Maar het betekent wel dat de afwegingen die tot dat verlof hebben geleid volledig transparant moeten worden onderzocht. Welke risicoanalyses zijn gemaakt? Welke signalen waren bekend? Zijn protocollen gevolgd? En vooral: had deze tragedie voorkomen kunnen worden?
De samenleving accepteert dat zorginstellingen moeilijke afwegingen moeten maken. Resocialisatie en behandeling zijn essentiële onderdelen van de psychiatrische zorg. Niemand wordt beter van een systeem waarin patiënten zonder perspectief permanent worden opgesloten. Maar juist omdat de belangen zo groot zijn, moeten de veiligheidsafwegingen onberispelijk zijn.
Te vaak ontstaat na ernstige incidenten hetzelfde patroon. Er volgt een onderzoek, er worden procedures geëvalueerd en er worden verbetermaatregelen aangekondigd. Vervolgens verdwijnt de maatschappelijke aandacht weer, totdat zich opnieuw een vergelijkbaar incident voordoet. Voor de nabestaanden verandert er niets meer.
De aangifte van de weduwnaar is daarom meer dan een juridische stap. Het is een oproep om verantwoordelijkheid niet uitsluitend bij de uitvoerder van het geweld neer te leggen, maar ook kritisch te kijken naar de organisaties die geacht worden dergelijke risico’s te beheersen.
Een rechtsstaat wordt niet alleen beoordeeld op de manier waarop zij daders straft. Minstens zo belangrijk is de bereidheid om eigen instituties kritisch te onderzoeken wanneer zij mogelijk hebben gefaald. Dat geldt voor overheidsorganisaties, zorginstellingen en uitvoeringsinstanties evenzeer.
Voor de weduwnaar zal geen enkele uitspraak zijn vrouw terugbrengen. Maar als zijn aangifte ertoe leidt dat de waarheid volledig boven tafel komt en toekomstige slachtoffers kunnen worden voorkomen, dan vervult zij misschien wel precies de plicht waarover hij zelf spreekt: de plicht om te voorkomen dat een voorspelbare tragedie zich nog eens herhaalt.
