opiniemaker
Vorige week dinsdag sprak de rechtbank twee mannen van 48 en 45 jaar vrij van de verkrachting van een 17-jarig meisje uit Nieuwegein. Eén van hen was (voormalig) politieagent. Voor het meisje moet de uitspraak als een enorme klap zijn aangekomen. Niet omdat de rechtbank haar verhaal ongeloofwaardig vond, maar juist omdat zij haar verklaring wél betrouwbaar achtte.
Volgens de rechtbank staat vast dat het meisje de twee mannen vorig jaar oktober ontmoette in een café in IJsselstein. Zij boden aan haar naar huis te brengen. Onderweg stopten zij op een parkeerplaats bij een fastfoodrestaurant, waar seksuele handelingen plaatsvonden. Toen het meisje aangaf naar huis te willen, werd daaraan gehoor gegeven. De voormalig politiemedewerker liep vervolgens naar huis, terwijl de andere man haar thuisbracht.
De rechtbank concludeerde dat de verklaring van het meisje betrouwbaar was en ging ervan uit dat seksuele handelingen hadden plaatsgevonden. Toch volgde vrijspraak van verkrachting, omdat het wettig en overtuigend bewijs voor dat specifieke strafbare feit volgens de rechtbank ontbrak.
Opvallend is echter wat de rechtbank vervolgens zelf opmerkte. Zij wees erop dat seks met een 16- of 17-jarige in Nederland strafbaar kan zijn wanneer duidelijk is dat geen sprake was van instemming, of wanneer de ander had moeten begrijpen dat die instemming ontbrak. Juist dat zogenoemde ‘schuldverkrachtingsartikel’ had het Openbaar Ministerie in deze zaak niet ten laste gelegd.
En daarmee raakt deze zaak een pijnlijke kern van het strafproces.
Een strafrechter mag uitsluitend oordelen over de feiten die het Openbaar Ministerie aan de verdachte heeft ten laste gelegd. Ook wanneer de rechtbank aanwijzingen ziet dat een andere strafbepaling mogelijk beter aansluit bij de feiten, mag zij die niet zelfstandig toepassen. Dat is een fundamenteel rechtsstatelijk beginsel.
Juist daarom roept deze uitspraak vragen op. Als de rechtbank expliciet aangeeft dat zij niet kon oordelen over een wetsartikel dat mogelijk relevant was omdat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen dit niet ten laste te leggen, dan is het begrijpelijk dat het slachtoffer zich afvraagt of haar zaak wel optimaal is behandeld.
Dat het Openbaar Ministerie direct hoger beroep heeft aangekondigd, onderstreept dat ook het OM zich niet neerlegt bij de uitkomst. Maar voor het meisje verandert dat niets aan de teleurstelling die de uitspraak ongetwijfeld heeft veroorzaakt. Zij heeft haar verhaal gedaan, de rechtbank heeft haar verklaring betrouwbaar genoemd, en toch verliet zij de rechtszaal zonder veroordeling.
Voor de samenleving is deze zaak eveneens confronterend. Eén van de vrijgesproken mannen was voormalig politieagent: iemand van wie burgers mogen verwachten dat hij de wet kent en het goede voorbeeld geeft. De vrijspraak betekent nadrukkelijk niet dat de rechtbank heeft vastgesteld dat er niets is gebeurd; zij betekent uitsluitend dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden.
Dat onderscheid is juridisch essentieel, maar maatschappelijk moeilijk uit te leggen. Zeker wanneer de rechtbank zelf aangeeft dat zij een andere strafrechtelijke beoordeling niet kon maken doordat die juridische grondslag ontbrak.
De vraag die deze zaak oproept, gaat daarom verder dan de schuld of onschuld van de twee mannen. Zij raakt ook aan de kwaliteit van de strafvervolging. Wanneer een mogelijk relevante strafbepaling niet in de tenlastelegging wordt opgenomen en de rechter daardoor geen volledig oordeel kan geven over de feiten, kan dat grote gevolgen hebben voor slachtoffers én voor het vertrouwen in de rechtspleging.
Het hoger beroep biedt het Openbaar Ministerie de mogelijkheid de zaak opnieuw aan het gerechtshof voor te leggen. Voor het 17-jarige meisje is te hopen dat daarbij niet alleen opnieuw naar de feiten wordt gekeken, maar ook kritisch wordt bezien of de juridische grondslag van de vervolging volledig aansluit bij wat de rechtbank zelf in haar uitspraak heeft blootgelegd.
